Hoe Noem Je Mensen Uit India?

Hoe Noem Je Mensen Uit India
Indiaas / Indisch Indiaas betekent ‘van, uit, over de republiek India’.

De Indiase hoofdstad New Delhi overweegt een dieselverbod.The Beatles waren een tijdje in de ban van een Indiase goeroe.In dat nieuwe Indiase restaurant heb ik een heerlijke curry gegeten.

Ook Indisch kan in de betekenis ‘van, uit, over de republiek India’ worden gebruikt. Dat is voornamelijk in België het geval.

The Beatles waren een tijdje in de ban van een Indische goeroe.

In Nederland wordt Indisch vooral gebruikt in de betekenis ‘van, uit, over de vroegere kolonie Nederlands-Indië’ of als synoniem voor Indonesisch in een culinaire context.

In Indische duinen schreef Van Dis over zijn jeugd in Nederlands-Indië.In Den Haag kun je heerlijk Indisch / Indonesisch eten.

Zowel bij India als bij het historische Indië hoort de mannelijke inwonernaam Indiër, Een vrouw uit India is een Indiase, een vrouw uit het historische Indië is een Indische, ZOEKEN OP TAALADVIES Er zijn geen resultaten gevonden voor uw zoekopdracht

Controleer de schrijfwijze van uw zoekopdrachtProbeer uw zoekopdracht anders te verwoorden

: Indiaas / Indisch

Wat is het verschil tussen Indisch en Indiaas eten?

Antwoord – Het hangt ervan af wat bedoeld is. Indiase keuken duidt op gerechten uit India. Indische keuken kan – voornamelijk in België – eveneens op gerechten uit India duiden, maar in Nederland verwijst Indische keuken meestal naar gerechten uit Indonesië, ook wel de Indonesische keuken genoemd.

Hoe heette India vroeger?

Naam. De naam India of Indië (ινδιη) werd in de oudheid door de oude Grieken afgeleid van ‘ Sindhu ‘, de lokale naam voor de rivier de Indus.

Hoe weet je dat je Indo bent?

Indisch – Vervolgens hebben we de term » Indisch » of » Indische Nederlanders «. Dit zijn de Nederlanders die uit Nederlands-Indië komen. Hieronder vallen alle Indo-Europeanen (Indo) en Totok’s (Nederlanders die geboren of opgegroeid zijn in Nederlands-Indië, maar geen Indonesische voorouders hebben.

Hoe noem je iemand uit India Engels?

Voorbeelden

Land of regio Bijvoeglijk naamwoord Zelfstandig naamwoord
India Indian an Indian
Indonesia Indonesian an Indonesian
Iran Iranian an Iranian
Iraq Iraqi an Iraqi

Waarom is Indiaas eten zo pittig?

Kijk, dat je ons wakker mag maken voor een fijne curry met een naanbrood on the side is misschien geen verrassing, maar wist je dat de onderzoekers van het Indian Institute for Technology ons ook kunnen vertellen waaróm Indiaas eten nou zo goddelijk smaakt? Hoe Noem Je Mensen Uit India De Indiase keuken vliegt van zoet naar hartig met een vleugje pittig en de texturen lopen uiteen van romige sauzen tot zacht brood en malse vlees en groenten. Maar wat is nu het eeuwenoude geheim achter de Shahi Biryani en de Machi Makhani? Onderzoekers van het Indian Institute for Technology analyseerden de receptenwebsite TarlaDalal.com (die zichzelf met meer dan 15000 recepten ‘India’s #1 food site’ noemt) letter voor letter (of beter gezegd: ingrediënt voor ingrediënt) om het te ontdekken.

  1. Het verlossende antwoord? Terwijl veel westerse gerechten bestaan uit ingrediënten met soortgelijke ‘smaakcomponenten’ (die bijvoorbeeld overeenkomen in mate van pittigheid of zuurheid), kenmerkt de Indiase keuken zich juist door combinaties van ingrediënten die géén overlap in smaak hebben.
  2. Het Europese idee dat je soortgelijke smaken moet combineren voor een lekker gerecht wordt in de Indiase keuken totaal omgedraaid.

Zoals de onderzoekers het in The Washington Post zeggen: «Alle specerijen en kruiden hebben een unieke rol in het recept en beïnvloeden het geheel.» Een typisch Indiaas gerecht bevat gerust een half keukenkastje aan verschillende kruiden en specerijen.

Hoe heet Indiaas brood?

Hoe langer je in India bent, hoe behendiger je wordt met brood als bestek. Best lastig in het begin, want je gebruikt alleen je rechterhand. De linker is onrein. Gelukkig is er in dit grote land meer dan genoeg brood om te oefenen. Vooral veel platte broodsoorten zijn een vast onderdeel van elke maaltijd.

Roti is in India de verzamelnaam voor veel, vooral platte broden. Chapati, naan, poori, paratha, bharuta, papadum: keuze is er genoeg. In het zuiden is de chapati populair. Op de hoek van elke straat en op veel van de kleine binnenplaatsjes staat een chulla, een houtgestookt kleioventje. Daarop gaat de platte koekenpan waar de Indiërs hun chapati in bakken.

Dit platte brood van tarwemeel, water en soms wat olie krijg door het oventje een lekkere rooksmaak. De gebruikte bloem wordt attameel of chapatimeel genoemd en komt van hele harde tarwekorrels. Dat geeft chapati veel vezels: het is het volkorenbrood van India.

Welke volken leven in India?

Populaire bestemmingen INDIA – De bevolking vertoont in etnisch opzicht een grote verscheidenheid. Er zijn twee hoofdgroepen: de Indiden (Indo-ariërs; ca.72%) en de Melaniden (zwarte Indiërs; ca.25%); de eersten wonen in de vlakte van de Ganges, in Rajasthan en in centraal-Deccan, de laatsten in Zuidoost-India (Tamil Nadu) en in het uiterste noordoosten van Deccan. India Bevolking Foto: Yann in het publieke domein In de loop van de 20ste eeuw heeft zich een scherpe daling van het sterftecijfer afgetekend (in 1911 geschat op 43‰, in 2002 op 8,49‰) ten gevolge van betere ziektebestrijding en betere, zij het niet afdoende bestrijding van de hongersnoden door het opslaan van reservevoorraden en het aanleggen van wegen.

Het geboortecijfer onderging in deze periode een veel geringere daling (ca.48‰ in 1911, ca.23‰ in 2002). (De nauwkeurigheid van het demografisch cijfermateriaal wordt overigens aangetast door het feit dat veel geboorten en sterftegevallen niet worden geregistreerd.) De sterke bevolkingsgroei is een van de grootste problemen waar de overheid zich voor gesteld ziet.

Sinds 1958 wordt dan ook van overheidswege veel propaganda gevoerd voor geboortebeperking, m.n. op het platteland. Deze campagne is in de jaren zeventig nog geïntensiveerd en heeft ook tot excessen geleid (o.a. gedwongen sterilisatie). Na 1977 werd de campagne versoepeld.

In de periode van 1990 tot 1995 bedroeg de jaarlijkse bevolkingsgroei 1,8%, voor de periode 1995-2000 werd de groei op 1,65% geschat. In 2014 wa het groeipercentage 1,25%. De levensverwachting bij geboorte (in 1951 nog ruim 32 jaar) bedroeg in 2017 67,6 jaar voor mannen en 70,1 jaar voor vrouwen. In 2017 was 27,3% van de bevolking jonger dan 15 jaar en slechts 6,2% ouder dan 65 jaar.

De spreiding van de bevolking is zeer ongelijk. Over het geheel genomen is India dichtbevolkt, maar de regionale verschillen in bevolkingsdichtheid zijn groot. Met een bevolkingsdichtheid van ongeveer 390 inwoners per vierkante kilometer is het land één van de dichtstbevolkte landen ter wereld.

  1. Dichtbevolkt zijn de Ganges- en de Brahmaputravlakte (Uttar Pradesh, Bihar, West-Bengalen) en de staten Kerala en Tamil Nadu.
  2. Dunbevolkt zijn de oostelijke berggebieden (Manipur, Meghalaya en Nagaland) en de droge gebieden (Rajasthan en Jammu en Kashmir).
  3. Met een bevolking van 150.000 en een bevolkingsdichtheid van iets meer dan één inwoners per km2 is Ladakh een van de minst bevolkte streken van India.

Slechts ca.33,5% van de bevolking woonde in 2017 in steden, waarvan met name de miljoenensteden enorme huisvestingsproblemen kennen. n 2017 telde India 1.281.935.911 inwoners. India had sinds 11 mei 2000 om 8.44 uur in de morgen officieel één miljard inwoners.

  • Dat maakte de nationale commissie voor de volkstelling toen bekend.
  • India werd daarmee, na China, het tweede land in de wereld waar meer dan een miljard mensen wonen.
  • Grootste steden (agglomeraties) in 2017 zijn New Delhi (25,7 miljoen), Mumbai (vroeger Bombay 21 miljoen inw.), Calcutta (11,8 miljoen), Chennai (9,6 miljoen) en Bangalore (10 miljoen).

Ongeveer 70 miljoen Indiërs leven nog steeds in stamverband. Al deze groepen samen worden Adivasi’s (oorspronkelijke bewoners) genoemd. In het huidige India leven meer dan 500 stammen die meer dan 40 talen spreken en hun oude gewoonten en religieuze gebruiken in ere houden.

Hoe zeg je iemand uit India?

Indiaas / Indisch Indiaas betekent ‘van, uit, over de republiek India’.

De Indiase hoofdstad New Delhi overweegt een dieselverbod.The Beatles waren een tijdje in de ban van een Indiase goeroe.In dat nieuwe Indiase restaurant heb ik een heerlijke curry gegeten.

Ook Indisch kan in de betekenis ‘van, uit, over de republiek India’ worden gebruikt. Dat is voornamelijk in België het geval.

The Beatles waren een tijdje in de ban van een Indische goeroe.

In Nederland wordt Indisch vooral gebruikt in de betekenis ‘van, uit, over de vroegere kolonie Nederlands-Indië’ of als synoniem voor Indonesisch in een culinaire context.

In Indische duinen schreef Van Dis over zijn jeugd in Nederlands-Indië.In Den Haag kun je heerlijk Indisch / Indonesisch eten.

Zowel bij India als bij het historische Indië hoort de mannelijke inwonernaam Indiër, Een vrouw uit India is een Indiase, een vrouw uit het historische Indië is een Indische, ZOEKEN OP TAALADVIES Er zijn geen resultaten gevonden voor uw zoekopdracht

Controleer de schrijfwijze van uw zoekopdrachtProbeer uw zoekopdracht anders te verwoorden

: Indiaas / Indisch

Hoeveel Indische Nederlanders zijn er in Nederland?

In 1984 werd de maximale omvang van de groep Indische Nederlanders (waar ook ter wereld woonachtig) bereikt (616 duizend, waarvan 309 duizend eerste generatie). Momenteel zijn er nog 582 duizend personen in leven. Van hen wonen naar schatting 458 duizend in Nederland en 124 duizend elders.

Wat betekent ADOE?

De taal van de Indische Nederlanders. – Tegelijk met een bepaalde litteratuur, die bij gebrek aan voedingsbodem tot verdwijnen gedoemd is – wij denken aan recente letterkundige werken van Maria Dermout, Breton de Nijs en Albert van der Hoogte -, zal ook de taal van een kleine Nederlandse bevolkingsgroep langzamerhand zijn speciale kenmerken verliezen en na verloop van enkele generaties wellicht geheel verdwenen zijn. We bedoelen de taal van de zogenaamde Indische Nederlanders. In aansluiting nu bij het in deze jaargang verschenen artikel van Professor Heeroma, dat de positie van het Nederlands in het huidige Indonesië behandelt, kan men een beschouwing wijden aan – soms zelfs een prognose opstellen voor – de positie van het ‘Indische’ Nederlands in het huidige Nederland. Met de benaming ‘Indische Nederlanders’ wordt een tamelijk heterogene laag van de tegenwoordige Nederlandse bevolking aangeduid: eenvoudigweg zijn dit alle mensen wier ouders of voorouders van vaderskant of – en dit meestal – van moederszijde van Indonesiërs afstamden. Heterogeen is deze groep echter door de verschillende mate van ‘gemengdheid’; we vinden er mensen onder die een Indonesische moeder en een Nederlandse vader hebben en dus letterlijk ‘halfbloed’ genoemd kunnen worden, maar anderzijds treffen we ook mensen aan, wier grootvader reeds een Indische Nederlander was en in wier familie sedertdien slechts volbloed Hollanders ingetrouwd zijn. Normaliter behoorden deze mensen vroeger in Indonesië tot het type van de ‘blijvers’; na de soevereiniteitsoverdracht, toen zij voor de moeilijke en tragische keuze gesteld werden om Indonesiër of Nederlander te worden, hebben zeer velen van hen het tweede alternatief gekozen en zijn naar Nederland ‘ge-patriëerd’ (want als re patriëring kan men hun komst eigenlijk niet betitelen), waar zij zich al naar gelang van hun persoonlijke geaardheid meer of minder goed hebben weten aan te passen. Voor hen zelf gelden naast de onderscheidingen in afkomst bepaalde sociale verschillen, die vaak met de graad van bloedvermenging gepaard gaan. Het hierboven geschetste type Indische Nederlander van het tweede soort richtte zich doorgaans meer naar de Nederlandse beschaving en genoot een Europese opvoeding, soms zelfs in Nederland dat deze mensen als hun vaderland zijn gaan beschouwen, terwijl het eerstgenoemde soort zich vaak meer aan Indonesië of misschien nog meer aan het vooroorlogse Indië verwant gevoelde. Sociaal uitte zich dat voor de oorlog uiteraard ook in de beroepen en de betrekkingen door de Indische Nederlanders bekleed, hetgeen zijn weerspiegeling vindt in de taal die door deze mensen gesproken wordt. Wanneer we afzien van de groep, die zich in taal en levenswijze bij Indonesië heeft willen aansluiten en zich het staatsburgerschap van de republiek heeft verworven, treft ons bij alle Indische Nederlanders die naar Nederland gekomen zijn, het streven naar vernederlandsing, dat zich vooral uit in de zucht zo correct mogelijk Nederlands te spreken. En juist op dit gebied treffen ons de boven gesignaleerde verschillen in afstamming en standing, die deze groep heterogeen maken. Er zijn Indische Nederlanders die een zeer verzorgd Nederlands spreken en zich daarin in niets van de beschaafde Nederlanders onderscheiden, terwijl er anderzijds mensen onder zijn die hun taal doorspekken met Indonesische en ‘Indische’ woorden en uitdrukkingen. Ook uitspraak en intonatie is in dat geval meestal onnederlands. Van taalkundig gezichtspunt is deze laatste categorie het merkwaardigst; zij levert ons het rijkste materiaal. Maar ook bij de meer vernederlandste mensen – zij die dus vrijwel correct Nederlands spreken – is het vaak verbluffend om vast te stellen, dat in bepaalde situaties waarin zij hun remmen verliezen of hun taalcontrôle doen verslappen, bijv. in grote opwinding, bij ruzies, in boosheid, als het ware een ‘Indisch’ stratum wordt blootgewoeld, zodat vooral intonatie en uitspraak een onmiskenbaar ‘Indische’ kleur krijgen. Als gevolg van dit streven zich in de taal naar de Nederlander te richten, die dus blijkbaar bewust of onbewust als sociaal meerderwaardig beschouwd wordt, heerst er bij de Indische Nederlander een grote gevoeligheid, een kwetsbaarheid, haast een angst niet voor vol te worden aangezien. Ook de huidskleur, de mate van ‘getintheid’ is helaas niet gunstig om dit minderwaardigheidsgevoel op te heffen, en ongelukkigerwijs versterken sommige Nederlanders onbedoeld deze gevoeligheid wanneer zij aannemen dat deze mensen in Indonesië rijst in plaats van aardappels, d.w.z. Indonesisch in plaats van ‘Hollands’ voedsel aten. Over het algemeen is het zelfs in deze tijd nog pijnlijk voor hen wanneer aan hun ‘Europeesheid’ getwijfeld wordt, en anders dan bij dialectsprekers, die op hun dialect trots zijn en er gaarne vragen over beantwoorden, is het zeer moeilijk navrage over ‘Indische’ taal te doen zonder de informant te kwetsen. Over echt Indonesische gebruiken, artikelen, eetwaren en woorden wordt men met grote bereidwilligheid ingelicht, omdat de ondervraagde persoon zich hiervan voor zijn gevoel voldoende gedistanciëerd heeft. Zodra men hem echter attendeert op eigenaardigheden in zijn Nederlandse woordenschat of uitspraak, raakt men een teer punt en liever zal de informant deze eigenaardigheden bij anderen, zijns inziens minder goed gesitueerden, vaststellen en deze als materiaal aanbieden. Onder alle Indische Nederlanders schijnt namelijk een groot gevoel voor nuances op dit gebied aanwezig te zijn, die de buitenstaander niet direkt opmerkt. Als gevolg van het niet te miskennen minderwaardigheidsgevoel kunnen zij zichzelf namelijk sterker voelen door ietwat neer te zien op hun medemensen die zich minder goed hebben weten aan te passen. Deze van lagere standing geachte Indische Nederlanders kunnen dan soms wat geringschattend met de uitdrukking djedar djedoer Ga naar voetnoot 1) gekarakteriseerd worden, een woord zonder duidelijke betekenis, misschien onomatopoetisch en de manier van spreken van de bedoelde categorie mensen aangevend. Het woord ‘Indo’, ‘Indoeuropeaan’ of ‘halfbloed’ wordt echter nimmer gebruikt omdat deze woorden mettertijd een te onaangename gevoelswaarde hebben gekregen. Zelf noemen al deze mensen zich Indische Nederlanders, totdat wellicht ook dit woord om zijn gevoelswaarde door een ander vervangen zal moeten worden. Terwijl nu de bellettrie over het voormalige Nederlands Indië, die in de laatste jaren verschenen is en nog steeds verschijnt, zich in een grote – in verhouding tot haar betekenis soms onevenredig grote – belangstelling kan verheugen, is dat met de taal van de Indische Nederlanders niet het geval. Door hun komst naar Nederland is deze taal eigenlijk niet minder actueel dan de letterkunde, maar wanneer men zich hierover wil oriënteren, dient men terug te grijpen naar vaklitteratuur over de taaitoestanden in het vroegere Nederlands Indië. De laatste ons bekende publikatie dagtekent van vele jaren geleden Ga naar voetnoot 1), en wil men nog verder teruggaan, dan vindt men eerst aan het einde van de negentiende eeuw een kleine reeks geschriften over de taal in de Nederlandse koloniën in het verre oosten. In die tijd schijnt de belangstelling voor dit studiegebied ontwaakt te zijn. Van algemene bekendheid zijn natuurlijk Schuchardts Kreolische Studien ; in nummer IX wijdt hij een onderzoek aan het Maleis-Portugees van Batavia en Tugu Ga naar voetnoot 2), maar het Nederlands wordt daarin niet of zeer terloops betrokken. Van belang is hier slechts Schuchardts vaststelling dat zich nimmer een Maleis-Hollandse mengtaal ontwikkeld heeft; m.a.w. het Nederlands heeft zich ongerept kunnen handhaven, niet alleen doordat steeds nieuwe Hollanders aankwamen, die hun eigen taal ‘vers’ importeerden, maar vooral omdat het Nederlands niet in die mate door de halfbloed gebruikt werd. als in latere jaren het geval ging worden. In deze latere tijd – de tweede helft van de vorige eeuw -, waarin de kinderen uit de gemengde huwelijken zich naar het Nederlands gaan richten, ontstaat het Indische Nederlands, waaronder dus Nederlands te verstaan is dat gesproken wordt door mensen, die in vroeger tijden tot het Maleis zouden zijn ‘afgezakt’. Dan begint ook de grote stroom van Indonesische woorden, die in het Nederlands worden opgenomen en voor een deel tot de normale Nederlandse woordenschat zijn gaan behoren. Uit belangstelling daarvoor werden toen de eerste studies Ga naar voetnoot 3) aan deze ‘Indische’ taal gewijd, waarbij behalve het zeer in het oog springend woordgebruik ook meer en meer aandacht aan syntaxis en uitspraak besteed werd. Tot de bekendste en uitvoerigste werken op dit gebied behoren die van F.P.H. Prick van Wely Ga naar voetnoot 4) ; hoewel op sommige punten ietwat verouderd, zijn deze studies nog altijd lezenswaardig, vooral door de overvloed van materiaal die zij bieden. De invloed van het Nederlands op de talen in de Archipel, een onderwerp dat ook door Prick van Wely behandeld wordt, is voor ons doel van geen belang. Bij zijn bespreking van het Indische Nederlands stelt hij echter vele merkwaardigheden vast, die ook heden ten dage nog zeer frequent voorkomen. Wanneer we ons nu aan een beschrijving wagen van de taal van de naar Nederland gekomen Indische Nederlanders, moet die beschrijving noodzakelijkerwijs onvolledig zijn. Niet alleen om de zuiver technische reden van ruimtegebrek, maar vooral omdat we uitsluitend met afwijkingen van het gangbare Nederlands te maken hebben. Zo hier ooit een volledige taalbeschrijving mogelijk was, zou dat er in de eerste plaats een van het Nederlands moeten zijn; wegens de onuitvoerbaarheid hiervan worde hier dus volstaan met een rubricering van de merkwaardige afwijkingen, die in fonetische, grammaticale en lexicologische onderverdeeld worden. Ter illustratie van een en ander maken we ook nu en dan gebruik van de weergave van deze taal bij verschillende litteratoren; speciaal auteurs als Couperus en Du Perron hebben meermalen getoond ook op dit gebied een verrassende vaardigheid te bezitten. Onder de fonetische merkwaardigheden valt allereerst de stemloze articulatie van de v en z op, die als f en s worden uitgesproken. De afkorting van de ‘Vereniging van Indische Nederlanders’ (VIN) wordt als fin gesproken. Couperus laat Tante Ruyvenaer tot Constance zeggen Ga naar voetnoot 1) : ‘Ik wou jou seggen, trek jou toch niet aan, seg!’ Ook de d vertoont vaak de neiging stemloos te worden uitgesproken. Couperus geeft dit (t.a.p.) door verdubbeling van het letterteken of toevoeging van een h weer: ddàme, ddhouane, Nog opvallender is misschien de verwisseling van g en h, die ook hier tot ontfonologisering van beide klanken heeft geleid. Reeds Multatuli merkte hierover het volgende op Ga naar voetnoot 2) : ‘, wanneer zo’n Europeaan opmerkt dat de beschaafdste liplap moeite heeft de h en de g uit elkaar te houden, lacht hy over de domheid van den man die niet weet dat er onderscheid is tussen een hek en een gek ‘. Het is volstrekt niet ongewoon voor, heel goed’ geel hoed te horen zeggen, waarbij beide fonemen dus omgekeerd gebruikt worden. Ook nuances komen voor, waarbij de gesproken klank tussen g en h inligt. De aspiratie schijnt daarbij overheersend te zijn, zodat het lijkt of de h domineert. Een waar struikelblok vormt het woord ‘gelegenheidspostzegels’, dat dan als helehenheidspostzehels wordt uitgesproken. De j heeft vaak een dentale voorslag – men vergelijke het inheemse Djawa voor ‘Java’ -, de w wordt gewoonlijk sterk gerond, gelijk in het Engels; soewart als uitspraak voor ‘zwart’ is in dit geval normaal. Opmerkelijk is in dit verband de Anlaut wr -. De Indische Nederlander laat hier duidelijk de w horen, terwijl de ‘echte Hollander’ veelal vreken e n vraak zegt voor ‘wreken’en ‘wraak’. Spreekwoordelijk is de zogenaamde rollende r, Albert van der Hoogte laat in een van zijn romans Ga naar voetnoot 3) een Indische Nederlander zeggen: ‘In Pamekasan is geen ruimte mirr, alléén nog in het hotel van Achmed Sarbini, de Arrrabir,, en dat is só smerig, terlaloe!, Ik seg tegen dokterr, mijn friend Marcus hij kan jou wel hebben, ja, haha’. Ook de uitspraak van de diftongen ui en ij/ei veroorzaken sommigen moeilijkheden. ‘Huis’ wordt soms heus en ‘ijs’ wordt als ès gesproken. Andere vokalen berokkenen minder last, maar worden dikwijls op een voor het Nederlands ongewone wijze gerekt, speciaal wanneer men nadrukkelijk spreekt. In dergelijke gevallen van rekking verdwijnt in woorden op nasaal + dentaal auslautend niet zelden de dentaal, terwijl de voorafgaande klinker behalve gerekt ook genasaleerd wordt: mòn voor ‘mond’, hàn voor ‘hand’. Van der Hoogte (t.a.p.) laat zijn figuren over de rresidèn (voor ‘resident’) spreken. Als reactie op dit alles bestaat er bij de sociaal hoger staande en meer beschaafde Indische Nederlanders een streven naar een zo correct mogelijke, soms zelfs onnatuurlijke uitspraak. Woorden als ‘sigaret’ en, chocola’ worden dan gesproken zoals ze geschreven worden en vormen als sigeret of sigret en sjokla, zoals ze door vele Nederlanders gesproken worden, zal men uit de mond van deze mensen nooit horen. Ook is er niet zelden een neiging dergelijke woorden van vreemde herkomst (‘sigaret’, ‘garage’) met de franse g uit te spreken. Wellicht behoort bij deze rubriek de uitspraak meggie (met franse g ) voor ‘Maggi’. Het streven naar correctheid kan zelfs aanleiding tot spellingpronunciations geven. Een ‘Indische’ dame vertelde eens niet zonder trots dat de Nederlanders hun eigen taal slordiger spraken dan de ‘Indische’ mensen; immers Nederlanders zeggen avdak (met de natuurlijke assimilatie van de stemloze aan de stemhebbende dentaal), terwijl men toch eigenlijk afdak (met de duidelijke stemloze f ) diende te zeggen! Een hoofdstuk apart is de intonatie van het Indische Nederlands. Bevestigende zinnen worden veelal met een vragende intonatie verbonden, wat ten dele samenhangt met het veelvuldig gebruik van het stopwoord ja aan liet eind van een zin, bijv.: zij heeft het tegenwoordig echt naar haar zin, ja, Bij vragende zinnen, speciaal bij kortere uitroepen, wordt de vragende intonatie, die hier dus op haar plaats zou zijn, daarentegen vervangen door een merkwaardige dreuntoon, waarbij de klemtoon op het eerste woord van de zin valt, bijv.: gà je mee, wààrfoor, Het toonverschil tussen de eerste en tweede lettergreep van dit laatste woord bedraagt daarbij bijna een quint. Nog een ander intonatietype is vertegenwoordigd in een vraag als: waar ga je hèèn?, waarbij het laatste woord op hoge, langgerekte en haast zangerige toon wordt gesproken. Bij de zin treft ons tenslotte nog de manier alle woorden als ‘losstaand’ uit te spreken, zodat geen sandhi optreedt. Van der Hoogte weet dit in zijn werk Ga naar voetnoot 1) niet beter weer te geven dan door achter elk woord een punt te plaatsen: ‘Ajo. lui. het. is. tijd. hoor. Morgen, komt. er. weer. een. dag.’. Het Indische Nederlands kan daardoor nogal gescandeerd klinken. Op het gebied van de grammatica valt allereerst de adaptatie van Indonesische woorden aan het Nederlandse vormsysteem op. De werkwoorden krijgen Nederlandse uitgangen: mandiën ‘baden’, sirammen ‘met bakjes water afspoelen’, oeroessen ‘regelen’, bonkarren ‘de kamer schoon maken’, oelekken ‘fijn wrijven van kruiden’, gesaringd ‘door een doek gezeefd’. Vele van dergelijke aan het Maleis ontleende woorden zijn in het Nederlands normaal geworden, als bijv.: bakkeleien, piekeren, gladakker, rotting, Zij komen hierna nog ter sprake. Bij het gebruik van de persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden bestaat een opvallende voorkeur voor de ‘zware’ vormen, zoals men ook bij Nederlands sprekende vreemdelingen kan aantreffen, die meestal de ‘zware’ vorm van het pronomen kiezen, omdat hun het onderscheidingsvermogen voor nuances vooralsnog ontbreekt. Men hoort daardoor zinnen als: heb jij jouw was al van de lijn gehaald? Zelfs in gevallen waarin je als onbepaald pronomen gebruikt wordt, verschijnt de vorm jij, bijv.: jij kan nooit weten of: waar moet jij jouw jas hier laten, ik zie nergens een kapstok, Couperus laat een Indische dame zeggen Ga naar voetnoot 1) : ‘jij lacht jou slap’. De vormen zij, wij, mijn, zijn, haar en hun worden ook in die gevallen gebruikt waarin een Nederlander ze, we, m’n, z’n, d’r en ze zou zeggen. Bij inversie van het werkwoord wordt de vorm hij niet door ie vervangen; men zegt dus: toen hij terugkwam, ging hij eerst naar zijn broer zonder dat de vokaal van het pronomen zelfs maar naar een ie zweemt. Onnederlands schijnt ook het gebruik van de onbepaalde voornaamwoorden wat maar, waar maar, waar een Nederlander eerder wat ook maar of waar dan ook zou aanwenden, maar het is niet met zekerheid uit te maken of dit specifiek Indisch Nederlands is. Bij de zeer gebrekkig sprekende Indische Nederlanders kan ook de kennis van het genus der zelfstandige naamwoorden ontbreken. In De boeken der kleine zielen Ga naar voetnoot 2) spreekt Tante Ruyvenaer van: ‘die beroerrde artikel’. Dit geeft dan ook aanleiding tot verkeerde verbuiging van adjectiva, in de trant van: een grote huis, Het reflexief pronomen ontbreekt vaak en zinnen als de jongen heeft omgekeerd, of ik moet schamen altijd voor hem zijn volstrekt geen zeldzaamheden. Op het gebied van de syntaxis ontmoeten we trouwens verreweg de meeste afwijkingen van het gangbare Nederlands. In de werken van Obdeyn en Prick van Wely komen zelfs uitvoerige lijsten van de meest voorkomende gevallen voor. De laatste auteur stelt de invloed van het Maleis hiervoor aansprakelijk en geeft een beknopte karakteristiek van deze taal waarbij hij uitsluitend van Nederlands standpunt oordeelt en bijna met ontzetting vaststelt hoeveel linguistische categorieën, waaraan de Nederlandse taalgebruiker gewoon is, in het Maleis ontbreken Ga naar voetnoot 3), Wij kunnen deze invloed verder buiten beschouwing laten en ons beperken tot een bespreking van de meest markante zinsconstructies. Voor vollediger materiaal zij naar bovengenoemde werken verwezen. Het juiste gebruik van de werkwoordstijden levert voor vele Indische Nederlanders moeilijkheden op. Zinnen als: gisteren was er bezoek geweest en: vorige week hadden we logé’s gehad zijn kenmerkend. Een overbodig gebruik van het deelwoord geworden is bij deze sprekers frequent: hij is aangehouden geworden, Bij inversie ontspoort niet zelden de gehele zin: maar hoe hij ook riep, kwam poes niet of: al is het hout niet droog, kan het toch goed branden, Het adverbiale pronomen er veroorzaakt – men kan wel haast zeggen vanzelfsprekend – voor deze mensen ook onoverkomelijke moeilijkheden. Typerend is: wat wil je ààn doen (op langgerekte hoge toon gesproken) voor ‘wat wil je er aan doen’. Het praepositionaal en locaal gebruikte er schijnt bijna stelselmatig achterwege gelaten te worden, bijv.: ik heb niet voor over zo lang in de rij te staan, Couperus vermeldt in een gesprek Ga naar voetnoot 4) : ‘Verdraai geen pink om’. Ook het pronomen het wordt wel weggelaten, zowel als object: trek jou toch niet aan, seg; schudt van jouw kouwe kleren af, als ook in subjectspositie: overal is niet zo mooi als hier; wat kan schelen, seg, Vaste uitdrukkingen worden verhaspeld of gecontamineerd. De al meer geciteerde Tante Ruyvenaer uit De boeken der kleine zielen Ga naar voetnoot 5) zegt bijv.: ‘Ach, swijg dan toch uw mond over Constance,’. En in een door Du Perron beschreven burleske woordenwisseling van Arthur Hille met ‘Mevrouw Saté’ vinden we de door deze Indische dame gesproken woorden: ‘Tjies, tjies, at staat niet te pas!’ Ga naar voetnoot 1) Zeer algemeen zijn de vele uitroepen en stopwoorden waarmee de Indische Nederlander zijn taal kruidt. In de gesprekken van deze mensen onderlingeen typische trek is ook het ‘onder elkaar willen blijven’, een sterk ontwikkelde familiezin die in de Nederlandse samenleving wellicht nog sterker aan de dag treedt, dan dit vroeger in Indonesië reeds het geval was – valt dit duidelijker op dan in hun taalgebruik in gesprekken met ‘anderen’. Het voorkomen van ja aan het eind van een zin werd reeds eerder opgemerkt. Albert van der Hoogte geeft als voorbeeld: ‘Ze is weer ziek en klaagt en steunt, en foetert mij uit. Toch wel erg, ja’, en hij voegt er aan toe: ‘De laatste woorden klonken typisch Indisch van samenstelling en accent’ Ga naar voetnoot 2), Het woord toch wordt ook op plaatsen in de zin gebruikt waar dit voor het Nederlands taaigevoel ongewoon is: hoe toch, mevrouw, maakt U dit gebak? Vaak gebezigde uitroepen zijn: zo zielig toch, zo aardig toch, Typische stopwoorden zijn verder: weet je, zeg, dan, en een groot aantal Indische woorden: adoe, een uitroep van ontzetting, ajo, vooruit, toe dan’, kassian, een uitroep van medelijden, sajang ‘Jammer’, betoel ‘beslist, echt waar’, terlaloe ‘te erg toch!’, massa ‘hoe is het mogelijk’, soeda ‘nou ja, laat maar’, tjoba een uitdrukking van verbazing, tjies ‘vies, bah’. Volstrekt onnederlands is het gebruik van het bijwoord al, dat reeds door Schuchardt beschreven werd: ‘Unvollkommen Holländisch sprechende Kinder antworten auf die Frage «hast du das oder jenes schon getan?» durchgehends nur al für ja, entsprechend dem Mal. sudah ‘ Ga naar voetnoot 3), En niet alleen kinderen gebruiken dit woord op deze manier, meermalen hoorden we ook volwassenen, aan wie bijv. gevraagd werd of zij nog meer suiker in hun thee verlangden, deze vraag met een haastig al al beantwoorden. Met vermelding van deze laatste merkwaardigheden hebben we het terrein van de lexicologie reeds betreden. Naast de ontelbare woorden van Indonesische herkomst vallen hier de Nederlandse woorden, die een betekeniswijziging hebben ondergaan, sterk op. Onder deze laatste categorie vallen bijv.: stroop in de betekenis van het Nederlandse ‘limonade’; met limonade wordt door de Indische Nederlander uitsluitend limonade-gazeuse of ‘priklimonade’ aangeduid; galerij ‘een open serre aan de voor- of achterkant van het huis’; paviljoen, een klein huisje behorend bij en staand terzijde van een groter huis, het hoofdgebouw; platje ‘bordes aan voor- of zijkant van het huis’; erf ‘grote tuin’; jongmens ‘vrij gezel, ongeacht de leeftijd’; jongen ‘lruisbediende, djongos’; onderneming ‘koffie-, thee- of andersoortige plantage’; naar boven ‘de bergen in’; gang ‘smalle straat, vergelijkbaar met een steeg’ (om een lage sociale afkomst aan te duiden, kan men van iemand zeggen dat hij ‘maar’ uit een gang komt); uitkomen ‘van Nederland uitgezonden worden’; op tournee gaan ‘een inspectietocht langs verschillende plaatsen ondernemen’; klutsen ‘het schudden van speelkaarten’; zich lekker maken ‘het zich gemakkelijk maken’; een handschoentje ‘Jonge vrouw, die in Nederland «met de handschoen» getrouwd is en zich naar Indonesië begeeft’ (een dergelijke typisch Indische figuur speelt een rol in Du Perrons Scheepsjournaal van Arthur Ducroo ). Behoort tot deze groep woorden ook halsdoek voor het in Nederland gebruikelijke ‘sjaal’ en het woord groeten voor het veel huiselijker Nederlandse ‘goeiendag zeggen’? Tot hiertoe was er sprake van gangbare Nederlandse woorden, die in het voormalige Indië een andere betekenis hadden. Daarnaast bestaat een aantal woorden die men in Nederland niet kent, ten dele omdat de begrippen hier ontbreken, bijv.: apepokken ‘kleine wondjes’ die aanvankelijk een doorschijnend blaasje vertonen’; strootje, in Nederland vaak schertsenderwijze voor ‘sigaret’ gebruikt; bekend uit de koloniale litteratuur is vooral de lees trommel ‘leesportefeuille met tijdschriften en boeken, in trommel of kist opgeborgen’. Onbekend in Nederland schijnt ook strijktafel ‘strijkplank’, bultzak ‘matras’ en de vorm stief voor ‘vlakgom’, aan het Rotterdamse stuf herinnerend. Verreweg het grootst is echter de groep woorden van oosterse herkomst. Daaronder bevinden zich woorden om begrippen uit te drukken die in Nederland onbekend zijn, met name vele Indonesische planten, bloemen, vruchten, dieren, maten en gewichten, kledingstukken en bovenal eetwaren. Verschillende daarvan zijn gemeengoed geworden en in de normale Nederlandse woordvoorraad opgenomen; ten dele zijn deze ook in de woordenboeken vermeld en de gemiddelde Nederlander geeft zich geen rekenschap meer van de herkomst ervan, zo weinig worden dergelijke woorden nog als uitheems ervaren. Andere woorden zijn op weg deze status te bereiken: heden ten dage is zelfs in de meest afgelegen provinciestad nassi goreng bij velen geen onbekend gerecht meer. Tengevolge van deze populair geworden Indonesische eetcultuur zijn tevens verschillende termen voor Indonesisch keukengerei verbreid: een wadjan ‘een ijzeren pan in de vorm van een halve bol’ en een soddet ‘een ijzeren schuifinstrument, in functie vergelijkbaar met een pannekoekenmes’ zijn ook in sommige Nederlandse gezinnen, vooral in Den Haag waar de uitstralingssfeer van de Indisch-Nederlandse cultuur het sterkst is, reeds ingeburgerd. Kunnen wij bovengenoemde gevallen als noodzakelijke ontleningen bestempelen, anders wordt het indien uit gemakzucht Indonesische woorden worden gebruikt waarvoor een goed Nederlands equivalent bestaat. Als voorbeelden kunnen gelden: barang ‘bagage’, obat ‘medicijn’, goedang ‘provisiekamer’, mandiën ‘baden’, katjang ‘olienoten’, pisang ‘banaan’, karret ‘elastiek’, ook in diminutiefvorm: karretje ‘elastiekje’, talirami ‘touw’, ajer blanda ‘spuitwater’, djagoeng ‘maiskolf’, djeroek ‘citrusvrucht’, eigenlijk een Indonesische vrucht, in Nederland gebruikt ter aanduiding van citroenen en sinaasappels, mata sappi ‘spiegelei’, soesa ‘moeite, last’, senang ‘prettig, zich op z’n gemak gevoelend’, assal ‘ongeluk-brengend’, slamat ‘welgefeliciteerd, veel geluk’, betjek ‘modderig’, pajong ‘parasol, paraplu’, bedak ‘toiletpoeder’, pidjitten ‘masseren’, tolol ‘stom, dommerd’, doesoen ‘onnozel’, mlumpum ‘zacht, niet bros’, pedis ‘scherp, heet (van eten)’ totok ‘blanke Hollander’, adee ‘zusje’ (in vele Indische families als eigennaam tot Dee geworden ), bossen ‘beu’. Een fraai voorbeeld levert Couperus alweer: ‘Altijd maar korèk in tempo doeloe in Gholland, zei tante boos Ga naar voetnoot 1), ( korek is ‘oprakelen’, tempo doeloe ‘de goede oude tijd’). Opvallend is hierbij dat sommige woorden eigenlijk specifiek, Indonesische begrippen aanduiden, maar in Nederland voor overeenkomstige, doch niet geheel gelijkwaardige inhouden gebruikt worden. Het woord djeroek voor een willekeurig type citrusvrucht, en ketimoen voor, komkommer’ zijn voorbeelden van een dergelijke overdracht van betekenis. Evenzo bijv.: koedoeng, eigenlijk een Indonesische hoofddoek aanduidend, maar in Nederland gebruikt voor het kenmerkende sjaaltje, dat vele Indisch-Nederlandse vrouwen en meisjes om het hoofd dragen. Hiermee zijn we aan het eind van deze opmerkingen over de taal van de Indische Nederlanders die na de oorlog naar Nederland zijn gekomen. Opgemerkt dient nog te worden dat veel van de opgesomde woorden ook door Nederlanders, die jaren lang in het voormalige Nederlands Indië gewoond hebben, gebruikt worden, waarin we wel een voortleven van het door Heeroma vermelde groepsjargon mogen zien. Bij de Indische Nederlanders is het gebruik ervan frequenter, waarbij de Nederlandse woorden die in Indonesië een betekeniswijziging ondergingen – we zouden ze de woorden uit de koloniale periode kunnen noemen – door het ontbreken van het contact met de tropen terrein verliezen, terwijl anderzijds de woorden van Indonesische herkomst onverminderd gebruikt worden, deels uit gemakzucht, deels misschien ook uit nostalgische gevoelens, omdat juist deze uitheemse woorden het moederland des te sterker in de herinnering brengen. Want ondanks alle streven naar aansluiting bij het Nederlandse taalgebruik, blijft de binding aan Indonesië voor vrijwel alle Indische Nederlanders een factor van betekenis. De taal die zij spreken zal gaandeweg minder en minder karakteristiek worden, is dat zelfs al geworden, want vele eigenaardigheden die voor het Indische Nederlands, dat voor de oorlog in Indonesië gesproken werd, opgetekend zijn in de oudere litteratuur, zijn reeds verdwenen. Het gangbare Nederlands heeft hier een corrigerende en nivellerende invloed uitgeoefend. Anderzijds is deze groep taalgebruikers als deel van de Nederlandse bevolking te klein in omvang en daardoor te weinig belangrijk om zelf blijvende invloed op het Nederlands uit te oefenen. De grammaticale en fonetische afwijkingen zullen na enkele generaties wel geen sporen meer hebben nagelaten; de typische woordenschat daarentegen maakt meer kans hier en daar in een Nederlandse behoefte te voorzien – men denke in dit verband aan de zeer gewaardeerde Indonesische eet-cultuur. In hoeverre deze invloed echter een blijvend karakter zal hebben, zal de tijd ons moeten leren. Münster/Westf.M.C. van den Toorn voetnoot 1) Bij de transscriptie van Indisch-Nederlandse woorden is de Nederlandse spelling gevolgd, omdat we er van uitgaan dat deze woorden door Nederlanders gebruikt worden en daardoor tot op zekere hoogte tot het Nederlands gerekend kunnen worden. voetnoot 1) G.J. Nieuwenhuis, Het Nederlandsch in Indië, Een bronnenboek voor het onderwijs in de nieuwe richting 2, Groningen, Batavia 1930. voetnoot 2) H. Schuchardt, Kreolische Studien IX, Ueber das Malayo-portugiesisch von Batavia und Tugu, Wien 1891. voetnoot 3) P.J. Veth, Oostersche woorden in Nederlandsche taal, De Gids 1867 I.W.A. Engelbrecht, Nog eenige Oosterlingen in de Nederlandsche taal, Ned. Spectator 3 Aug.1867.M.C. Piepers, Over de Nederlandsche taal in Oost-Indië, De Gids 1875.J. de G.H., Een Tjerita over Hollandsch en Maleis, De Gids 1876 III.H.G.P. Obdeyn, Lijst van Indische spreek- en schrijffouten, Batavia, Solo 1895.P.J. Veth, Uit Oost en West, Arnhem 1889.S. Kalff, Een dode taal in Indië, Baarn 1915. voetnoot 4) F.P.H. Prick van Wely, Indische woorden en hunne equivalenten in de moderne talen, Batavia 1903. Dez., De verindisching van ons Nederlandsch, Batavia 1903. Dez., Neerlands taal in ‘t verre Oosten, eene bijdrage tot de kennis en de historie van het Hollandsch in Indië, Semarang, Soerabaja 1906. (Aan deze geschriften werd ook stof ontleend voor de behandeling van deze taal door J. van Ginneken, in: Handboek der Nederlandsche taal 2, dl. I, Nijmegen 1928, en: De regenboogkleuren van Nederlands taal, Nijmegen 1917). voetnoot 1) De boeken der kleine zielen, in: Verzamelde werken V, Amsterdam 1952, blz.280. voetnoot 2) Max Havelaar, in: Volledige werken I, Amsterdam 1950, blz.92. voetnoot 3) Huis in de nacht, Amsterdam, Antwerpen 1956, blz.138. voetnoot 1) Het laatste uur, Amsterdam, Antwerpen z.j., blz.97. voetnoot 3) Neerlands taal in ‘t verre Oosten, blz.42. voetnoot 1) Het land van herkomst, Verzameld werk III, Amsterdam 1954, blz.384.

See also:  Hoe Lang Is Tom Cruise?

Waar komen indos vandaan?

Humphrey de la Croix Al meer dan 70 jaar wonen Indische Nederlanders in Nederland. Toch is hun achtergrond voor veel mensen onbekend. Hoe het precies zit weten Nederlanders niet, wél dat het met Indonesië te maken heeft. Door de ontbrekende kennis spreken ze over «Indonesiërs» of «Nederlands-Indiërs».

Dan zijn er ook nog de Indo’s. Hoe zit het nu precies? Wie is nu eigenlijk wie? Dat ze zijn opgegaan in de Nederlandse omgeving is in ieder geval een vaststelling. We willen met dit artikel graag duidelijker maken wie Indische Nederlanders zijn. Indische Nederlander: een begrip met een geschiedenis Door de gehele koloniale periode heen zijn er verschillende benamingen gebruikt voor mensen van gemengd Nederlands – inheems Indonesische achtergrond.

Inheems zijn de diverse volken in de archipel zoals Soendanezen, Javanen, Balinezen, Molukkers, Makassaren, Buginezen, Menadonezen, Minangkabauers, Bataks, Dajaks. Vanwege de concentratie van Nederlanders en andere Europeanen op Java, zullen de meeste Indische Nederlanders afkomstig zijn uit relaties tussen Europeanen en Javanen.

Voor een Indische Nederlander kan het nauw luisteren hoe ze worden aangesproken. Dat is per persoon verschillend zijn. Er is zéker ook een sterk collectief bewustzijn een bijzondere groep te vormen met een eigen geschiedenis en culturele uitingen. Ten slotte maken zijn sociale positie en de beleving van zijn identiteit als Indische Nederlander uit hoe hij precies wil worden aangesproken.

Als Nederlander, Indische Nederlander of Indo? Een historische uiteenzetting kan duidelijkheid geven over wie Indische Nederlanders zijn. We maken het voorbehoud dat onze definities niet volledig het begrip Indische Nederlander «vangt», maar wél grotendeels. Hoe Noem Je Mensen Uit India Indo-Europeanen (nu: Indische Nederlanders) in de vooroorlogse koloniale tijd Foto: http://nietthuis.ning.com/ Indisch in de VOC-periode, 1600 – 1800 Deze periode heet de mestiezenperiode, Mesties komt van het Portugese mestiçao, dat gemengd (van afkomst) betekent.

Kort gezegd een persoon van gemengd etnische afkomst. In de kolonie waren er voor een mesties andere aanduidingen in gebruik als liplap, serani of casties, Officieel spraken VOC- bestuurders over bewoners van gemengde afkomst. Deze begrippen lijken neutraal maar stonden ook voor vele meningen, vooroordelen en oordelen over mensen met een gemengde afkomst.

Dezen hadden onderling ook nog een verscheidenheid aan meningen over elkaar. Het woord liplap was duidelijk denigrerend en spottend bedoeld. Een liplap was oorspronkelijk een persoon met een Europese vader en een Javaanse moeder. Liplap was een weinig vleiende verwijzing naar de mengtaal die niet serieus werd genomen.

De Nederlanders vonden die taal een uiting van gebrekkigheid en inferioriteit.1) De negentiende eeuw: «Introductie van de Indo-Europeaan» In de tweede helft van de negentiende eeuw wordt het begrip Indo-Europeaan gangbaar om er personen van gemengd westers – inheemse afkomst mee aan te duiden. De term duikt voor het eerst op in het Bataviaasch Handelsblad van 7 juni 1872.

Belangrijk voor het statusgevoel was dat een mesties voortaan Europeaan werd genoemd.2) De Indo-Europeaan als halve Europeaan? Goed om te weten is dat sinds 1854 het wettelijk mogelijk was voor een Europese vader om een kind uit zijn relatie met een inheemse vrouw, officieel te laten erkennen als Europeaan.

Die status gaf toegang tot Europees onderwijs en later tot een baan bij een bedrijf of als ambtenaar. De kleinkinderen en daarna waren allen vanzelf Europees. Deze wettelijke mogelijkheid tot erkenning gaf veel mannen de kans een gezin en familie te vormen.3) De toevoeging van Indo kan overkomen als een neutrale, objectieve nuancering om aan te geven dat er Europeanen die blank waren en die met een gemengde afkomst.

Dat kan dan ook worden opgevat als dat niet-blanke Europeanen een ander soort Europeanen waren. Iedereen gelijk voor de wet maar in het echt werkte dat niet zo. De blanke Nederlanders hadden dus behoefte aan dat onderscheid. In de praktijk was er inderdaad het gevoel onder de blanke bevolking het superieure volk te zijn.

Dat lieten ze merken aan zowel inlanders (inheemsen) als de Indo-Europeanen. Deze laatsten bleven de last van een minderwaardigheidsgevoel meedragen. Hoe dan ook, de Indo-Europeanen het begrip omarmd en koesterden hun wettelijk verankerde identiteit als deel van de kleine koloniale toplaag van Europeanen.

Wettelijke erkenning van de Indo-Europeaan (tot «volbloed» Europeaan) Het Regeringsreglement van 1854, een soort wet door de regering in Den Haag uitgevaardigd, onderscheidde in de kolonie Europeanen en inlanders, Onder Europeaan vielen de blanke ingezetenen, de totoks, als personen van gemengde afkomst.

  • De rest van de bevolking waren de inlanders.
  • De meesten behoorden tot de volken die van oudsher de archipel bewoonden.
  • Tot de inlanders behoorden ook de Vreemde Oosterlingen zoals Arabieren, Indiërs (uit Brits-Indië) en Chinezen.
  • Deze wettelijke tweedeling in Europeanen en inlanders camoufleert waar de Indo-Europeanen in werkelijkheid maatschappelijk en economisch stonden.
See also:  Hoe Lang Blijft Coke In Je Bloed?

Namelijk tussen de «echte» Europeanen en inheemse bevolking. Een kleine groep daargelaten, keken blanke Europeanen vaak neer op hun mede-Europeanen van gemengde afkomst.4) Indo-Europeaan zou tot aan het einde van het Nederlands bestuur een algemeen gebruikte term blijven.

  • Ook de Japanners gebruikten voor hen een soortgelijke benaming toen ze de archipel bezetten.
  • De Japanners beschouwden de Indo-Europeanen en de inheemse bevolking als mede- Aziaten.
  • De Indo-Europeanen zijn daarin niet meegegaan en bleven zich ook echte Europeanen voelen.
  • Dat was immers letterlijk zo in de wet vastgelegd.5) De Indo: niet alleen een afkorting Indo-Europeanen waren als het ware tot Europeanen «gepromoveerde» mestiezen.

Werd daarmee hun authentiek ontstane cultuur meer gewaardeerd? De realiteit was dat de Indo-Europeanen maatschappelijk geen homogene groep vormden. Er waren diverse verschillen in sociale positie, welvaart, geloof en levensstijl. Een aanzienlijk deel van de Indo-Europeanen bestond uit de kleine boeng, kleine broer.

  1. Zij waren de mensen met weinig opleiding, slechte banen en een laag inkomen.
  2. Binnen deze groep werd het begrip Indo als een gewone aanduiding voor elkaar gebruikt.6) Indo raakte als begrip snel «ingeburgerd» door zowel degenen die behoorden tot de kleine boeng als alle anderen die wilden aangeven geen Indo te zijn.

In kranten, wetenschappelijke verhandelingen, toespraken, de sociëteit, discussies binnen de Europese elite én binnen de groep Indo-Europeanen zélf stond Indo binnen korte tijd voor de mensen van lagere komaf en maatschappelijke positie.7) Op de Indo werd nogal neergekeken.

  1. Dat ging gepaard met stereotypen en vooroordelen.
  2. De Indo ging tegen het eind van de negentiende eeuw steeds meer staan voor alle negatieve eigenschappen die aan de inwoners van gemengde afkomst werden toegeschreven.
  3. De maatschappelijk marginale positie van de kleine Indo werd nog eens versterkt door een toenemende armoede in de tweede helft van de negentiende eeuw.
See also:  Hoe Schrijf Je In Het Engels?

De doorwerking van de deze negatieve waardering en gevoelswaarde zou nog tot na het einde van Nederlands-Indië duren binnen en buiten de Indische gemeenschap. De etniciteit (huidskleur) was door de groter wordende groep totoks een belangrijker rol gaan spelen.

  • Indo stond voor personen van lagere status dan blanke Europeanen.
  • Erger was dat Indo-Europeanen in hun streven op gelijke hoogte te komen met de totoks, onderling elkaar naar huidskleur beoordeelden en behandelden.
  • Het kwam binnen gezinnen voor dat een lichter gekleurd broertje of zusje toch wat meer waardering kreeg.8) Tragisch is dat aan het begin van de Japanse bezetting in 1942 veel Indo’s zich zo inlands mogelijk wilden voorstellen om uit de interneringskampen te blijven.

De Japanners bepaalden aan de hand van afstamming van Indo’s in hoeverre ze Europees of inlands waren. Indo’s meenden hoe bruiner hoe groter de kans om buiten het kamp te blijven. Op Sumatra zou dat niet uitmaken omdat alle als Europeaan geregistreerde personen werden geïnterneerd.9) Hoe Noem Je Mensen Uit India Fragment uit de Javabode van 1 augustus 1853. Een Indo schrijft aan deze krant over hoe de Europeanen op hem als Indo neerkijkt. Secundaire bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Indische_Nederlanders#/media/File:Liplap_serani.png Indische Nederlanders De Indo-Europeaan Th.

Landouw gebruikte in 1916 voor het eerst Indische Nederlanders tijdens een bijeenkomst van net opgerichte Indische Democratische Partij (IDF). De Indo-Europeanen kregen te maken met concurrentie op de arbeidsmarkt van Europees geschoolde Indonesiërs. De armoede aan het eind van de negentiende had een schok veroorzaakt.

De angst was dat de meerderheid van Indo-Europeanen zouden afglijden richting de kampong, dus terugvallen in de inheemse levenssfeer. Dat moest worden voorkomen. Ze zagen een grotere oriëntatie op Nederland als voorwaarde om te overleven. De benaming Indische Nederlanders moest uitdrukken dat ze vooral Nederlanders waren.10) Niet alle Indo-Europeanen waren het eens met de term Indische Nederlander.

  1. Het zou de indruk wekken afstand te nemen van hun inheemse wortels.
  2. Voor zo ver bekend is de term Indische Nederlander niet gangbaar geworden in de vooroorlogse jaren.
  3. De «doorbraak» kwam na het vertrek uit de kolonie.
  4. De term paste goed bij de ontstane situatie waarin het merendeel van de Indo-Europeanen een beroep deden op hun Nederlandse nationaliteit en gerichtheid op Nederland.

De mensen waren inderdaad Nederlanders, gingen zich vestigen in het vaderland en het neutrale Indisch verwees correct en zonder gevoelens te kwetsen naar Indië en de daar liggende Indische wortels. Voor de Nederlandse regering was het algemener klinkende begrip Indische Nederlanders een goede, neutrale eenvoudig te gebruiken term in de beleidsvorming.11) Hoe Noem Je Mensen Uit India Eind jaren vijftig in Groningen: de Indische repatriantenkinderen Soeterik. Indische Nederlanders die voorheen Indo-Europeanen of Indo’s heetten. Foto: erven Maudy Angenent Toch bleef het begrip «door-evolueren». Vele totoks voelden na het vertrek uit Indonesië een blijvende verbondenheid met het land.

  • Ze waren er geboren en getogen, hadden er lang of hun hele leven gewoond.
  • Zij hadden behoefte aan een «label» dat hen moest onderscheiden van de Nederlanders in Nederland.
  • Door de omstandigheden en samenleving in Indië was hun doen, denken en gevoelswereld in zekere mate niet zoals de landgenoten in Nederland.

Zo kwam het dat meer en meer gerepatrieerde totoks zich Indische Nederlanders noemen, maar niet.Indo! Indonesië en Indonesiërs Indonesië is het land dat vroeger het grondgebied was van de kolonie Nederlands-Indië. Indonesiërs zijn de inwoners van Indonesië.

  • In de koloniale tijd waren er vanuit Nederlands perspectief nog geen Indonesiërs.
  • Wél Javaanse, Sumatraanse en ander inheemse bevolkingsgroepen.
  • Indonesië bekijkt al die volken in haar nationale geschiedenis als één Indonesisch volk.
  • Indonesiërs noemen zichzelf ook zo wanneer ze gebeurtenissen beschrijven uit hun geschiedenis, dus zowel vóór als vanaf de komst van de Nederlanders én na hun vertrek.

Voor de Indische Nederlander is de koloniale periode van 1600 tot 1945 (of 1949) de invalshoek om naar zijn verleden te kijken. De Indische Nederlander heeft daarom zijn wortels liggen in Nederlands-Indië, niet in Indonesië. Een Indonesiër zou van mening zijn dat je dan Indonesië moet zeggen.

Om verder te verduidelijken: het kind van een Nederlandse man met een Indonesische (dus na 17 augustus 1945) vrouw is juridisch gezien geen Indo-Europeaan of Indische Nederlander. Deze termen zijn verbonden aan de kolonie Nederlands-Indië. Wanneer het kind in bijvoorbeeld 1875 of 1922 zou zijn geboren kon het kind wél Indo-Europeaan of Indische Nederlander.

Genetisch gezien is er geen verschil. Meestal worden kinderen uit gemengde relaties in Indonesië nu aangeduid met het Engelse Eurasians, maar het korte Indo ook. Hoe Noem Je Mensen Uit India Indonesiërs van alle eilanden in de archipel Foto: https://www.kaskus.co.id/thread/5a98fa441ee5df71398b4568/quotrakyatlah-pemilik-pembangunanquot/ Opnieuw de Indo En de Indo? Die bestaat nog. De meeste Indische repatrianten behoorden maatschappelijk gezien tot de lager opgeleide Indische Nederlanders, werkzaam in functies met lagere beloningen.

  1. Ze noemden zich van oudsher en gevoelsmatig Indo’s.
  2. Bescheiden, gewone en aan het Nederlandse gezag loyale Nederlanders, die cultureel en qua levensstijl gemengd oosters en westers waren.
  3. De culturele en geestelijke «voorman» van de Indo’s Tjalie Robinson (1911 -1974) was een belezen man, kritische journalist en levensgenieter die erg verbonden was met de mengcultuur.

Tjalie sprak vol trots over zichzelf als Indo. Hij hoopte dat de Indo’s in hun nieuwe omstandigheden een eigen identiteit en cultuur zouden gaan vormgeven. Zijn gebruik van petjoh, de mengtaal die Indische Nederlanders spraken moest de waarde en bestaansrecht van hun cultuur uitdrukken.

Daarnaast herkennen ze zich daardoor in Tjalie’s beschrijvingen van alledaagse situaties die Indo’s onderling met elkaar beleefden in Indië.12) Jongere Indische Nederlanders hebben de Indo ook «ontdekt» en gebruiken die om hun identiteit te bepalen en kenbaar te maken. De Indo niet als maatschappelijk marginale figuur, maar juist als een persoon met een authentieke, in Indië gelegen achtergrond die hij verwerkt in zijn hedendaagse beleving.

Met Indo kan een Indische Nederlander zich onderscheiden binnen de veelkleurige Nederlandse samenleving, waar de mensen nog steeds niet of amper weten wie hij is. Daarbij klinkt Indo minder formeel dan Indische Nederlander en past daarmee goed in de hedendaagse lossere omgangsvormen. Hoe Noem Je Mensen Uit India Indische Nederlanders van jongere generaties. Foto: http://nietthuis.ning.com/ Blauwen Waar deze benaming vandaan komt is niet duidelijk. Indische Nederlanders onderling gebruiken de term niet. Het klinkt niet aardig en doet denken aan oude kolonialen en veteranen die het over Indische kameraden van vroeger hebben. Er is geen eenduidige verklaring voor de benaming.

Een daarvan is dat Indische kinderen bij hun geboorte een blauwe vlek onder aan de rug hebben die vanzelf verdwijnt. Een ander verwijst naar de blauwe gloed in het haar na gebruik van de onder Indische mannen populaire brylcreem. Tientallen jaren werd het woord amper gehoord. Recentelijk zijn Indische jongeren die zich vol trots blauwen noemen, dus als geuzennaam gebruiken.

Op internet, sociale media, (kook)cursussen en andere initiatieven zijn ze op zoek naar hun achtergronden en wat een Indische identiteit voor hen betekent. Ook de auteurs van het in 2007 uitgekomen boek Gelders blauw over Indische Nederlanders in Gelderland, gebruikten de kleur als positieve aanduiding.

Niet onvermeld laten we Indisch Restaurant Blauw in Utrecht. Ten slotte kent de Koninklijke Marine vanuit de negentiende eeuw de traditie om op woensdagen in kazernes, werven en op schepen de blauwe hap te serveren. Indische Amerikanen: hoe willen zij zichzelf noemen? De meeste Indische Nederlanders repatrieerden vanuit Indonesië naar Nederland.

Vaak vanwege het koude, natte klimaat en de staat van wederopbouw na de oorlog vertrokken veel van hen naar Californië. In de «Sunshine state» wonen er nu naar schatting tegen 100.000 Indische Nederlanders, of toch Indo-Europeanen? De migranten van de eerste lichting en die nu door leeftijd klein in aantal is, noemt zich meestal Indo’s. Indische Nederlanders in de Verenigde Staten presenteren zich als Indo’s en ook naar Amerikanen als Indo-Dutch, Dat ter onderscheid van Indo-Americans, die nakomelingen zijn van in de VS gevestigde Indonesiërs en een Amerikaanse ouder. Amerindo is een tamelijk recent ingevoerd begrip, maar lijkt vooral vanuit Nederland te zijn gekomen. Hoe Noem Je Mensen Uit India September 2018 Walnut Creek, Californië. Indo’s vieren het ontzet van Leiden bij de familie Henny Neys en Gijs Axt. Foto: Humphrey de la Croix Afspraak: ‘Indische Nederlanders’ it is! Als «afspraak» om helderheid over begrippen over en rond de groep te hebben, spreken we in het heden over Indische Nederlanders.

Daaronder valt iedereen die een voorgeschiedenis heeft in voormalig Nederlands-Indië. De stamvader van een Indische Nederlander kan op enig moment in 350 jaar koloniale periode zijn geboren. Indische Nederlanders wonen voornamelijk in Nederland, maar ook degenen die in andere landen wonen vallen onder het begrip.

Totoks geboren en getogen in de koloniale periode of die er lang hebben gewoond (blijvers) komend uit Nederland, kunnen persoonlijk de beleving hebben Indische Nederlander te zijn. Ze zijn geen Indo-Europeaan of Indo. Hoe Noem Je Mensen Uit India 2012 Den Haag. Indische Nederlanders tijdens de Tong Tong Fair Foto: Humphrey de la Croix Noten 1) Ulbe Bosma en Remco Raben, De oude Indische wereld 1500 – 1920, Amsterdam 2003, pp.30-36. Petra Boudewijn, Warm bloed. De representatie van Indo-Europeanen in de Indisch-Nederlandse letterkunde (1860-heden), Amsterdam 2016.2) https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Indo-Europeaan_in_het_Bataviaasch_handelsblad_1872.png 3) Bosma en Raben (2003), pp.219-220.4) Idem, pp.223-230.5) Indo-Europeanen P.F.

Dahler en van den Eeckhout meenden dat een samenwerking met de Japanse bezetter zinvol was. Zij hebben de Indo’s er niet van kunnen overtuigen. Hun houding is door velen als collaboratie aangemerkt. Ruimte voor nuancering is er wel in dezen.6) J.E. Ellemers en R.E.F. Vaillant, Indische Nederlanders en gerepatrieerde, Muiderberg 1985, pp.18-19.7) Bosma en Raben (2003), pp.211-214.8) Marlene de Vries, Indisch is een gevoel.

De tweede en derde generatie Indische Nederlanders, Amsterdam 2009, pp.26-27. Hans Meijer, In Indië geworteld. De twintigste eeuw, Amsterdam 2004, pp.200-202.9) Hans Meijer (2004), pp.203-204.10) Wikipedia: Indische Nederlanders,11) Ellemers en Vaillant (1985), pp.12-14.12) Wim Willems, Tjalie Robinson.

Biografie van een Indo-schrijver, Amsterdam 2008, pp.435-437.13) https://theindoproject.org/ Internet Door blauwe ogen. Een platform voor Indische roots en identiteit. Hoezoindo Wikipedia: Indische Nederlanders https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Indo-Europeaan_in_het_Bataviaasch_handelsblad_1872.png The Indo Project : netwerkorganisatie opgericht door tweedegeneratie Indisch immigranten.

Literatuur Petra Boudewijn, Warm bloed. De representatie van Indo-Europeanen in de Indisch-Nederlandse letterkunde (1860-heden), Amsterdam 2016. Boom Uitgevers. Erica Bürer, Imagine. Indische Nederlanders, Amersfoort 2018, pp.J.E. Ellemers en R.E.F. Vaillant, Indische Nederlanders en gerepatrieerde, Muiderberg 1985.

Uitgeverij Coutinho. Hans Meijer, In Indië geworteld. De twintigste eeuw, Amsterdam 2004. Jean Gelman Taylor, Smeltkroes Batavia. Europeanen en Euraziaten in de Nederlandse vestigingen in Azië, Groningen 1988. Uitgever Wolters Noordhoff BV. Marlene de Vries, Indisch is een gevoel. De tweede en derde generatie Indische Nederlanders, Amsterdam 2009.

Amsterdam University Press. Wim Willems, Tjalie Robinson. Biografie van een Indo-schrijver, Amsterdam 2008.

Wat voor eten komt uit India?

Kenmerken – Ook al kent de Indiase keuken een grote verscheidenheid, toch zijn er vele overeenkomsten. Zo wordt er veel gebruikgemaakt van verschillende soorten rijst, granen, aardappelen, groenten, specerijen en verse kruiden die tot garam masala’s (kerriemengsels) gemalen worden.

Welk eten komt uit India?

Eten en drinken India Het eten in India bestaat vooral uit rijst en of broodsoorten met curries en dal, Curry is de verzamelnaam voor alle groente-, vis- en vleesgerechten die worden bereid met specerijenmengsels, ook wel masala genoemd. Vaak zijn deze mengsels scherp van smaak ( spicy ).

  • Dal is de verzamelnaam van gerechten die gemaakt zijn van linzen en vormen een belangrijke eiwitbron.
  • Snacks in India: Buiten de hoofdmaaltijd om zijn er tal van snacks te nuttigen in India.
  • Indiërs knabbelen vaak gepofte rijst, gedroogde kikkererwten of pinda’s.
  • Daarnaast zijn er tal van gefrituurde snacks, die vrijwel altijd vegetarisch zijn.

Bekend zijn pakora’s, gefrituurde balletjes, waarvoor aardappelpuree als bindmiddel wordt gebruikt, samosa’s, kleine driehoekige loempiaatjes met een vulling van aardappel en groente, en cutlets met uiteenlopende vegetarische vulling. Drinken in India: Chai (spreek uit: tsjai) of thee is de nationale drank van India.

Het wordt altijd geserveerd met veel melk en suiker. Voor koffie geldt hetzelfde. Ook de lokale merken frisdrank zijn zoeter dan je thuis gewend bent. Heerlijk fris is fresh limesoda ; sodawater met uitgeperst citroensap. Vermeld erbij of je het drankje zoet, zout of zonder verdere toevoeging wilt drinken.

Dat geldt ook voor lassi, een soort karnemelk. Houd er rekening mee dat lassi een bron van bacteriën kan zijn. Bestel het alleen in goede restaurants! Bier wordt meestal in grote flessen verkocht. Bekende merken zijn Kingfisher, Black Label en Rose Pelican,